‘Het maakt mij niet uit waar we volgend jaar op vakantie gaan, als het maar niet wéér Nederland is.’
Omdat we een jonge hond hebben (en weinig zin in lange ritten naar warme oorden), moest onze arme 8-jarige zich deze zomer wéér vermaken op Hollandse campings. Ik heb hem niet kunnen betrappen op klachten in de weken dat we er waren. Hij had het toen misschien te druk met pingpongen, ijs eten, verkoeling zoeken, Duckies lezen in de hangmat en bommetjes maken vanaf de zwembadrand om zich te beklagen over het gebrek aan avontuur. Maar eenmaal terug thuis, op school, in het gareel, kwam er toch overwerkt vakantieleed bovendrijven:
hij heeft dus níks noemenswaardigs meegemaakt deze zomer. Helemaal níks om over te vertellen op school.
‘En die boot- en bakfietstocht naar Schiermonnikoog dan?’, opperde ik toen hij zijn ongenoegen uitte. ‘Dat museum waar je een tekenfilmpje kon inspreken? Of anders die ene keer dat het hagelde en je tóch ging zwemmen, zo lekker typisch Nederlands?’ Alles wat we voorstelden, sabelde hij neer met een bozig ‘saai’, om vervolgens te verzuchten: ‘Iedereen kent Nederland al. In mijn klas gaat iedereen gewoon naar Australië. Of Thailand.’
Wat ik wilde zeggen was: ‘Heus niet iedereen’. En: ‘Weet je wel hoe ver dat is?’ En: ‘Jij vindt 22 graden al heet.’ En vooral: ‘Doe eens normaal zeg’. Maar dat zei ik niet, want verongelijkte 8-jarigen zijn over het algemeen niet voor rede vatbaar en ergens snapte ik zijn gevoel ook wel.
Onze vakantie wás namelijk saai: we lagen tussen het zwemmen, wandelen en lezen door vooral schommelend in de hangmat door de Polarstep-verhalen van anderen te scrollen. In alle rust het onrustige gevoel te voeden dat we misschien iets misten.
Hoewel ik weet dat we als gezin veel beter gaan op rust dan op reuring en hoewel ik tevredenheid ook wat waard vind, raakte die FOMO van onze zoon toch een gevoelige snaar bij me. Want ja, ik vond ook dat onze (dit keer behoorlijk zonnige) zomer nogal verbleekte bij al die junglecruises en boomhuttochten en culturele ontdekkingsreizen die andere gezinnen allemaal leken te maken. Ineens vond ik óns ook saai. Waar was ons vroegere gevoel voor avontuur gebleven?
Moesten wij niet ook weer eens met de trein door Roemenië of op een paard door China? Was het voor de kinderen niet de hoogste tijd dat ze leerden snorkelen of kitesurfen? Zaten we de mooiste jaren van ons leven niet te verdoen aan de rand van een lauw Drents zwembad?
Met al die vragen in mijn hoofd plunderde ik vorige week de reisboekenafdeling van de Vinex-bieb. Volgend jaar zetten we in op vijf weken zomervakantie en dat biedt perspectief voor relatief wilde plannen. Ik vroeg zelfs ChatGPT wat binnen ons bereik lag als we met hond en auto enigszins rustig Europa willen doorkruisen. Ik ging weer ouderwets op in de voorpret, zocht urenlang naar villa’s en trekkershutten en liet de kinderen honderd landschappen, stranden en routes zien.
Al na de derde berg en de tweede agriturismo, verloren ze hun interesse. Ze leefden pas weer op toen ik online langs een kleine, Limburgse camping met zwembad en glijbanen gleed. ‘Daar wil ik heen’, besliste de 8-jarige. ‘Please?’
Ik geloof dat de eerste stop daarmee is bepaald. Aan mij ligt het in elk geval niet als we Slovenië of Zweden volgend jaar weer niet redden omdat we blijven haken op de eerste, de beste plek waar we de hangmat neerzetten en helemaal níks spannends gaan beleven. Na een dikke week terug in het gewone leven klinkt dat eerlijk gezegd als het wildste en beste plan tot nu toe.
